Vorige pagina

Labaceae - Vlinderbloemigen

In 1696 schreef Abraham Munting in zijn boek ‘Nauwkeurige beschrijvingen der Aardgewassen’ het volgende over de Piet Hein boon: “En Phaseolus americanus niger flore phoeniceo” of zwarte Amerikaanse boon met een als brandende mooie rode kleur die het oog zeer bevallig is en die van velen Piet Heins bonen genoemd wordt, omdat de admiraal Piet Hein die in 1628 de Spaanse zilvervloot genomen heeft die eerst uit Amerika in deze landen bracht. Echter, dit was tijdens het 12-jarig bestand (1609-1621) en Nederland mocht toen geen handel onderhouden met Zuid-Amerika.

Niet geheel ondenkbaar is dan ook dat ‘stiense’ geen verbastering van Oost-Indische is, maar van West-Indische. Hierbij worden de w en e ingeslikt zodat ‘stindische’ resteert wat vervolgens ‘stinse’ en uiteindelijk ‘stiense’ wordt.

De pronkboon (Phaseolus coccineus var. coccineus) komt oorspronkelijk uit de koude, mistige berggebieden van Mexico en werd door de Azteken reeds geteeld. Het is de minst koude gevoelige boon. Zeker is dat pronkbonen al sinds 1615 werden gebruikt als windsingel rond de tabaksvelden; rond 1615 ontstond de tabaksteelt rondom Amersfoort, in Veere al rond 1610. De Zuid-Hollandse veengrond was er ook goed voor en de nabijheid van de Noordzee verkleint het nachtvorstgevaar voor de vorstgevoelige, subtropische tabak.

De Stiense boon is een pronkboon in Nederland en een vrij onbekende boon in de keuken, omdat zijn voornaamste toepassing het uit de wind houden van gewassen zoals augurken, tabak en andere bonen is. Tabaksarbeiders mochten de rijpe peulen plukken en de bonen werden op de vloer in de drogerij dan nagedroogd. Deze arbeiders aten de Stiense bonen vaak met appeltjes en gerookt spek. De Stiense boon is een roodbloeiende pronkboon van het oude type, d.w.z. met draad in de peulen.

De pronkboon kan evenals de snijboon gesneden gegeten worden. De punten van de peul worden niet gebruikt. De pronkboon heeft een meer uitgesproken smaak dan de snijboon. De peul is groen en 25-29 centimeter lang. Pronkbonen moeten jong gegeten worden, omdat zich anders op de rugnaad van de peul een draad gaat vormen.

De Stiense bonen die in Nederland aanwezig zijn, zijn nakomelingen van drie collecties: een uit de Historische Tuin in Aalsmeer, de tweede via de Duitse IPK-Genenbank in Gatersleben (deze is daar uit Oude Wetering (vermoedelijk Zuid-Holland) in 1980 gekomen); en de derde via de collectie Eeuwig Moes (De Oerakker), hierin zitten door Ruurd Walrecht verzamelde Stiense bonen die volgens hem uit Zuid-Holland afkomstig zijn.

In Aalsmeer is deze teelt ook al zeer lang bekend, ook al omdat deze boon weinig eisen aan de bodem stelt. De combinatie met spek en zoete appeltjes komt waarschijnlijk ook uit deze omgeving, omdat juist zoete appelen een goede oogst gaven op veengrond. Vandaar ook het recept met het Zoete Veentje, een appeltje, dat veel gekweekt werd in Aalsmeer en omgeving.

Bij ons leer je de wereld kennen