Vorige pagina

Hier vindt u wat toelichting bij de afgebeelde planten, voor zover ze goed herkenbaar zijn. Soms staat er een nummer bij de afbeelding, en dat is hier herhaald. Van enkele planten is de naam onzeker. Een gebruiker van ons exemplaar van de Flora heeft er wel namen bij geschreven, maar we zijn er niet zeker van of die kloppen. We gaan het uitzoeken. Als er meer over bekend is, leest u het hier.
Tekst: Wim Voortman
Zie onderaan deze pagina voor afbeeldingen.

Klik op de afbeelding voor een vergroting.

15     Grote klaproos (Papaver rhoeas). Klaprozen verschijnen niet zo vaak als spontaan stoepplantje, maar als ze in de buurt staan, kunnen ze jaar na jaar terugkomen. Het zaad van klaprozen blijft lang kiemkrachtig en kiemt na een koudeperiode (winter) als het aan het licht komt. Vandaar dat er dikwijls klaprozen verschijnen op plaatsen waar de grond omgewoeld is. Klaprozen zijn geliefd bij bijen. Pluk ze maar niet, want in een vaas heb je er niets aan: ze laten heel snel hun blaadjes vallen. Dat doen ze buiten ook.

16      Stinkende gouwe (Chelidonium majus) is een stoepplant met een naam die zichzelf verklaart: de plant ruikt niet lekker en het gouwe verwijst naar het goudgele melksap dat eruit komt als je de plant afbreekt, en dat hardnekkige vlekken kan geven. Vroeger meende men dat de plant gebruikt kon worden tegen oogkwalen. Ook was er het verhaal dat zwaluwen de plant aan hun blinde jongen zouden voerden, zodat die zouden gaan zien. Maar dat werd in de 16e eeuw al in twijfel getrokken.

17      Holwortel (Corydalis cava) is geen stoepplantje, maar een zogenaamde stinzenplant, een plant die ooit ingevoerd is als tuinplant, en nu nog voornamelijk gevonden wordt in de buurt van oude buitenplaatsen. De holwortel bloeit vroeg in het voorjaar en verdwijnt weer onder de grond als de bomen bladeren hebben en het donker wordt op zijn standplaats. Het lage plantje (zo'n 30 cm) heeft een opvallend grote knol, die soms zo groot wordt als een tennisbal. Daar zit altijd een deuk in of er lijkt een stuk uit te zijn, vandaar de naam.

18      Duivenkervel (Fumaria officinalis) heeft een Latijnse naam die op rook (fumus) duidt, maar waarom is niet erg duidelijk. In de 16e eeuw sprak men al van eertroock, en ook in andere talen verwijst de naam naar rook. De Nederlandse naam suggereert dat duiven de plant graag zouden eten, en de 'kervel' verwijst naar de bladeren, die wel een beetje op kervelbladeren lijken. De plant werd wel toegepast tegen staar en ook om een fris, gezond ogend gezicht te krijgen. Duivenkervel is eenjarig, en komt vooral voor op voedselrijke grond: akkers en moestuinen, maar niet zeer algemeen. Als stoepplantje mag duivenkervel dus meteen op waarneming.nl.

90      Wondklaver (Anthyllis vulneraria) is een plant van kalkrijke zandige grond. We zien hem nu soms op spoorwegemplacementen, waar hij terechtgekomen is door ophogingen met duinzand. Staat soms ook in zandige bermen. De soort wordt verder steeds vaker ingezaaid in wegbermen, maar dat zijn vaak buitenlandse variëteiten. Die hebben dikwijls staande stengels, terwijl de inheemse wondklaver plat op de grond ligt. De Nederlandse naam en ook het Latijnse vulneraria duiden op een oud gebruik als geneesplant: de looistoffen erin zouden helend op wonden werken. Men gebruikte daarvoor meestal gekneusde planten, soms een aftreksel. En bij de baby in de wieg zou wondklaver boze geesten op een afstand houden...

91      Hopklaver (Medicago lupulina). De Latijnse naam duidt niet op medisch gebruik, maar verwijst naar het land der Meden, die samen met de Perzen bekend stonden om hun uiterst strenge wetten. De hop in de hopklaver verwijst naar de bloemhoofdjes, die wel iets weg hebben van de vrouwelijke bloemen van de 'echte' hop, die in bier wordt gebruikt. Hopklaver groeit graag op voedselrijke grond in gras en bermen, en ook wel op stenige plaatsen: stoepplantje dus. Hij komt in het hele land voor, maar vooral in het westen en midden. Net als zijn nauwe verwant luzerne wordt hopklaver wel als veevoer verbouwd.

92      Honingklaver (Melilotus spec.). De heerlijk zoet geurende honingklaver (diverse soorten) kan een stoepplant zijn en duikt vaak op in vochtige bermen waarin gegraven is. Ook staat de plant wel aan rivieroevers.

93      Rode klaver (Trifolium pratense) is niet echt een stoepplant, maar komt eerder voor in akkers. Of in je gazon. Wordt ook wel ingezaaid als veevoer of als groenbemesting. Bijen maken graag gebruik van de bloemen: klaverhoning is beroemd.

144    Waterscheerling (Cicuta virosa) is gelukkig geen stoepplantje, want dan zou niemand zijn kinderen durven laten buitenspelen. Dat is niet helemaal terecht (als je er niet van eet, gebeurt er heus niets engs), maar deze schermbloem is berucht giftig. Kenmerkend is de holle wortelstok met vakjes (zie de poster). Hij is niet erg algemeen en komt voor langs zoet water in laagveenmoerassen en mijdt brakke plaatsen. Uit de 17e eeuw dateert een recept om de plant te gebruiken in een plaester (pleister, omslag) tegen een ontstoken milt. Maar meestal meed men hem, en terecht.

145    'Watereppe/Helosciadium' heeft een gebruiker van dit exemplaar van de Flora hierbij geschreven. Maar Helosciadium is tegenwoordig de naam voor een geslacht dat moerasscherm genoemd wordt, en daar zijn enkele soorten van. Schermbloemen zijn notoir lastig om te determineren, en al helemaal van een plaatje. Bovendien werd de naam watereppe vroeger ook wel voor heel andere soorten gebruikt. Het onderzoek is gaande.

146    Zevenblad (Aegopodium podagraria) heeft een uiterst slechte faam: met heermoes (paardenstaart) is het waarschijnlijk het 'on'kruid dat tuiniers het meest verafschuwen. Spit het zevenblad definitief uit je tuin en hou dat de rest van je leven vol: je krijgt het niet weg. Jonge blaadjes zijn overigens goed eetbaar; mogelijk is de plant daarom met de Romeinen mee naar onze streken gekomen. In de Middeleeuwen is zevenblad in Engeland ingevoerd als geneeskruid (vooral tegen jicht, podagra). Op beschaduwde plaatsen is het een mooie schermbloem. Er bestaan zelfs tuinversies van met geel gevlekt blad.

147    Deze plant is volgens de vroegere gebruiker karwij. We weten het niet zeker en gaan het na.

148    Grote bevernel of pimpernel (Pimpinella major) is een tamelijk zeldzame plant die een voorkeur heeft voor vochtige voedselrijke grond, en dan liefst klei. Vandaar dat hij wel voorkomt in uiterwaarden. Het is de waardplant (voedselplant) voor de rupsen van pimpernelblauwtjes (Phengaris teleius en P. nausithous), die in Nederlands uiterst zeldzaam zijn en beide in de EU als kwetsbaar te boek staan. De rupsen van deze vlinders leven eerst op de grote bevernel, maar parasiteren later in nesten van steekmieren (Myrmica-soorten), waar ze de mierenlarven eten. Grote bevernel wordt ook wel als tuinplant toegepast, en zaait zich daar dikwijls enthousiast uit.

149    'Smalbladwatereppe/Berula' heeft de vroegere gebruiker deze plant genoemd. Waarschijnlijk klopt de Latijnse naam, maar de moderne naam is dan kleine watereppe (Berula erecta). We gaan het nog na.

223    Paardenbloem (Taraxacum officinale). Wie kent hem niet? De schrik van liefhebbers van een gladgeschoren gazon, maar in feite een onschuldig plantje dat eetbare blaadjes levert ('molsla') en waar bijen gek op zijn. Veel voorjaarshoning komt van paardenbloemen. Traditioneel geneeskruid tegen allerlei kwalen. Modern onderzoek wijst op het hoge kaliumgehalte van de plant als oorzaak van het urinedrijvende effect ervan.

224    Muursla (Mycelis muralis), een neefje van de gewone kropsla, is van oorsprong een plant van vochtige loofbossen, die zich meer en meer thuis voelt in nattige beschaduwde gangetjes tussen de tuinen in de stad, waar een vergelijkbaar klimaat heerst. Je kunt dit plantje dus best als stoepplantje tegenkomen. Vaak staat het dan in de richel tussen de bestrating en een muurtje. De soort is nog tamelijk zeldzaam, maar de aantallen in de stad nemen toe.

225    'Melkdistel/Sonchus' heeft de vroegere gebruiker bij deze plant geschreven, maar de details kloppen niet: melkdistels hebben uitgroeisels aan de bladeren ('oortjes') langs de stengel. Maar welke andere composiet het dan is? Een soort tandzaad misschien? We zoeken het uit.

226    Streepzaad (Crepis spec.) is een echt stoepplantje. Als het bloeit, zal het vast door veel mensen voor een paardenbloem aangezien worden, want de bloemen lijken erg op elkaar, en bij oppervlakkige beschouwing de bladeren ook. Maar ja, al die gele composieten zijn nu eenmaal berucht lastig. Toch zijn de verschillen gemakkelijk te zien: streepzaad (diverse soorten) heeft dunne, vertakte bloemstengels, terwijl de bloemstelen van een paardenbloem vaak roodachtig en dikker zijn en zich nooit vertakken. Bovendien heeft een paardenbloem holle bloemstengels (streepzaad niet) en bevat hij wit melksap, dat streepzaad ook niet heeft.

227    Muizenoor (Pilosella officinarum) is herkenbaar aan zijn rozet van meer of minder behaarde ovale blaadjes, die inderdaad op muizenoortjes lijken. Die beharing wijst erop, dat het plantje voorkomt op droge, open plaatsen. Soms ontsnapt het in zandige randjes langs een tuin, maar een echt stoepplantje is het niet. Wel komt het in de duinen voor. Het is zeker ook een leuk plantje in de tuin, maar hou het in de gaten: het maakt naar alle kanten uitlopers waar steeds nieuwe rozetjes aan komen. Dat gaat niet echt hard, maar wel gestaag. Beschouw het dus maar als een bodembedekker.

Afbeeldingen van de beschreven planten

Bij ons leer je de wereld kennen