Vorige pagina

Bulbophyllum nocturnum is een nachtbloeiende orchidee. Botanicus en Hortusmedewerker Ed de Vogel ontdekte dit fenomeen in 2011. Van orchideeën was nog niet bekend dat ze nachtbloeiende soorten hebben.

Van de enig bekende ’s nachts bloeiende orchidee, de Bulbophyllum nocturnum, leven alleen nog jonge plantjes. De enig bekende volwassen orchidee van dit type, die in 2011 was gevonden op het eiland New Britain voor de kust van Papoea Nieuw Guinea, overleefde een plotselinge temperatuurdaling in de tropische kassen van de Hortus botanicus in Leiden niet.

De ontdekking van de Bulbophyllum nocturnum was tijdens de bekendmaking in november 2011 wereldnieuws. Van de ongeveer 25.000 bekende orchideeën bloeit deze als enige alleen ’s nachts. Een Nederlandse naam heeft hij niet. In Engelse media wordt hij wel ’maanbloem’ genoemd, maar in het Nederlands is er al een plant met die naam.

Onderzoeker Ed de Vogel van Naturalis Biodiversity Center vond de plant in een bos dat sindsdien is gekapt. Mogelijk zijn er, ergens op het tropische eiland, nog andere exemplaren, maar zeker is het niet. Hoofd kassen Rogier van Vugt van de Hortus vermoedt dat De Vogel de laatste wilde plant heeft meegenomen.

Uitsterven

Als een plant de laatste van zijn soort is, is de uitsterving wel zeer nabij. Van Vugt en zijn collega’s zetten daarom alles op alles om hem te vermeerderen. De Bulbophyllum nocturnum groeide goed in de Hortus en maakte snel bloemen, maar hij bleek niet van zelfbestuiving te houden. De plant voorkomt zelfbevruchting door het eigen stuifmeel te omhullen met een laagje zetmeel, dat herkend en afgestoten kan worden. Alleen stuifmeel van andere planten kan doordringen tot het vruchtbeginsel.

Die andere planten - tja, die waren er niet, en dus brak Van Vugt zich het hoofd over de vraag hoe hij de orchidee toch tot zelfbestuiving kon aanzetten. ,,Het geheim bleek speeksel te zijn’’, zegt hij in zijn kantoortje onder de kas van de Victoria amazonica, waar hij de zaailingen in warme, met plastic folie afgesloten potjes opkweekt. ,,Speeksel breekt zetmeel af en dus besloten we om wat speeksel op het stuifmeel aan te brengen voordat we ze bestoven.’’

De truc werkte, en na verloop van tijd verschenen de eerste zaadjes. Van Vugt verzamelde ze, en bracht ze naar de Engelse orchideeënkenner Richard Warren. ,,Hij is de enige die in staat is deze zaden met succes te laten kiemen’’, zegt hij. ,,De orchideeën worden gezaaid in een schuurtje in de tuin van zijn huis in Noord-Engeland.’’

Nadat de zaden waren ontkiemd, besloot de Hortus de babyplantjes niet voor zichzelf te houden. Exemplaren zijn naar de New York Botanical garden, de Royal Botanic Gardens in Kew en de Glasgow Botanic Gardens in Schotland gegaan.

Van Vugt hoopt dat meer tuinen volgen. Het is een vorm van risicospreiding. ,,Als je iets bijzonders kweekt en je bent de enige, dan is het heel belangrijk dat je dit materiaal zo snel mogelijk verspreidt. Bij planten kun je echt stellen: ’Sharing is keeping’. Wie weet, is het in de toekomst nodig dat we weer wat materiaal terug moeten vragen.’’

De Britse tuinen hadden haast met de uitwisseling. ,,De Brexit gaat de uitwisseling van plantmateriaal, met name van orchideeën, onduidelijk en lastig maken.’’

Hoe kwetsbaar planten kunnen zijn, bleek tijdens een ’rampzalige nacht’, toen de temperatuur in de tropische kas tot 10 graden Celsius daalde. De precieze datum weet Van Vugt niet meer. ,,Het was tijdens de renovatie van de kassen.’’

De door Ed de Vogel gevonden Bulbophyllum overleefde de plotselinge kou niet. Er zijn nu dus geen volwassen exemplaren meer van de enige orchidee die alleen ’s nachts bloeit. Dat maakt het des te belangrijker dat de jonge plantjes worden gekoesterd. ,,Want met deze moeten we het doen.’’

Tekst: Wilfred Simons, Leidsch Dagblad (29 oktober 2019)

Bij ons leer je de wereld kennen