Vorige pagina

Het oudste en grootste exemplaar van de Japanse notenboom in de Hortus werd in 1785 geplant. De soort werd rond 1770 vanuit China en Japan, waar de boom rond tempels was aangeplant, naar Europa gebracht. De laatste wilde populaties zijn te vinden op de Tianmu-berg in oostelijk China. De boom kan wel tot 30 à 40 m hoog worden, en tot 9 m in doorsnee.

De stam van oude bomen is grijs en diep gegroefd, de twijgen zijn grijsbruin. De bladeren worden in de herfst goudgeel voordat ze afvallen. Ze zijn waaiervormig en meestal tweelobbig, vandaar de naam biloba. De meeste bomen zijn ofwel mannelijk, ofwel vrouwelijk. Onze boom bloeit in april rijkelijk met mannelijke katjes. In 1935 zijn er verscheidene vrouwelijke twijgjes op geënt, waarvan er een is aangeslagen. Deze vrouwelijke tak draagt talrijke kersachtige ‘vruchten’: zaden met een vlezige laag er omheen, die naar ranzige boter ruikt. Ze zouden vroeger door aas etende dinosauriërs gegeten kunnen zijn om zo te
worden verspreid. Technisch gezien is Ginkgo geen bloemplant, maar een naaktzadige, dus zonder bloemen of echte vruchten. Deze soort is de enige in de familie Ginkgoaceae en de orde Ginkgoales, wat er op wijst dat hij lang geleden is ontstaan, en de enige is die is overgebleven: er zijn fossielen bekend uit het Perm, meer dan 250 miljoen jaar geleden. Blijkbaar kwam deze groep vroeger wereldwijd voor. De zaden werden ooit rood geverfd en dan bij Chinese bruiloften gegeten. In de traditionele Chinese geneeskunde worden de bladeren gebruikt als Yinxingye (银杏叶) en de zaden als Baiguo (白果), om de bloedsomloop te stimuleren. De bladeren worden gebruikt bij huidaandoeningen, diarree en bronchitis; de zaden worden gebruikt om klachten als astma, hoest, een geïrriteerde blaas en vaginale afscheiding te verlichten.
 

Bij ons leer je de wereld kennen